GroenLinks en de val van de PvdA: de radicalisering van links richting communistisch gedachtegoed
Een partij die zichzelf ziet als moreel kompas
GroenLinks presenteert zich graag als het morele geweten van Nederland, een partij die strijdt voor rechtvaardigheid, duurzaamheid en gelijkheid. Toch blijkt in de praktijk dat deze verheven waarden zelden leiden tot effectief beleid. Wat begint als idealisme, eindigt vaak in bureaucratie, symboliek en maatschappelijke schade. Volgens Radical Chic and the New Left (Tom Wolfe) is dit typisch voor linkse bewegingen die morele superioriteit verwarren met morele juistheid, en politiek gebruiken als een uitdrukking van morele identiteit.
De partij is tegenwoordig een bolwerk van stedelijke hoogopgeleiden die zich profileren als architecten van een nieuwe wereldorde, maar hun beleid raakt vooral de werkende burger. De fusie met de Partij van de Arbeid heeft dit nog versterkt. Waar de PvdA ooit een pragmatische arbeiderspartij was, heeft GroenLinks haar opgeslokt en naar een radicaal-ideologische koers geduwd. De partij die ooit stond voor loon, werk en woning, is nu een vehikel van moreel activisme geworden, waarin klimaat, gender en identiteit de plaats hebben ingenomen van nuchtere sociale politiek.
Volgens Black Mass: Apocalyptic Religion and the Death of Utopia (John Gray) zijn dit symptomen van een modern utopisme: een geloof dat de mensheid maakbaar is, dat morele zuiverheid tot politieke verlossing leidt. GroenLinks lijkt precies dat te belichamen. Hun idealen zijn niet alleen onrealistisch, maar gevaarlijk, omdat ze voortkomen uit de overtuiging dat men het morele monopolie bezit.
Van communistische wortels tot moreel activisme
De ideologische wortels van GroenLinks reiken tot diep in de communistische traditie. De partij ontstond uit de fusie van vier partijen: de Communistische Partij Nederland (CPN), de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP), de Politieke Partij Radikalen (PPR) en de Evangelische Volkspartij (EVP). Hoewel GroenLinks zich sindsdien heeft herverpakt als ‘progressief’ en ‘sociaal-ecologisch’, zijn de fundamentele principes van collectivisme, staatsinterventie en economisch egalitarisme gebleven.
In The green energy delusion (Vaclav Smil) wordt beschreven hoe linkse ecologische bewegingen wereldwijd dezelfde denkfout maken: ze geloven dat overheidsplanning en technologische subsidies de wereld kunnen redden, zonder oog te hebben voor economische realiteit of menselijke natuur. Dit ideaal van controle, verpakt in morele taal, verklaart veel van GroenLinks’ beleid.
De partij presenteert de overheid niet als dienaar van het volk, maar als opvoeder van het volk. Burgers worden heropgevoed tot “bewuste” consumenten en “duurzame” denkers. Wie weerstand biedt, wordt gezien als achterlijk of immoreel. Het gevolg is een moreel autoritarisme waarin de partij zichzelf als maatstaf van goed gedrag ziet, een houding die volgens Radical Chic and the New Left (Tom Wolfe) typerend is voor elitaire bewegingen die zichzelf als moreel verheven beschouwen.
De fusie met de PvdA: macht boven idealen
De fusie van GroenLinks en de PvdA was minder een huwelijk van gelijken dan een overname. De PvdA, ooit de partij van de arbeider, verloor haar ideologische identiteit. Onder invloed van GroenLinks verschoof de partij van sociaal-democratie naar moreel idealisme. Waar PvdA-beleid vroeger draaide om werkgelegenheid, betaalbare woningen en sociale zekerheid, overheersen nu abstracte thema’s als “klimaatrechtvaardigheid” en “inclusie”.
Volgens Europe’s immigration dilemma (Douglas Murray) is deze verschuiving niet uniek voor Nederland. Over heel Europa vervallen linkse partijen in symbolisch beleid dat vooral de elite dient. Hetzelfde geldt hier: onder het mom van rechtvaardigheid is de PvdA-GroenLinks-alliantie vooral een vehikel geworden voor morele zelfverheffing. De partij gebruikt de taal van mededogen, maar haar beleid creëert juist ongelijkheid.
De fusie heeft bovendien geleid tot een concentratie van macht in handen van partijtoppen en ambtenarij, waar kritiek wordt gesmoord in ideologisch jargon. Interne tegenstemmen binnen de PvdA, die waarschuwen voor GroenLinks’ dogmatisme, worden gemarginaliseerd. Het resultaat is een gesloten blok van gelijkgezinden dat zich beroept op morele legitimiteit in plaats van democratische representatie.
Falend beleid in de praktijk
De praktijk van GroenLinks-beleid laat zien hoe idealisme botst met realiteit. In steden als Amsterdam, Utrecht en Nijmegen, waar GroenLinks de afgelopen jaren regeerde, is het resultaat teleurstellend. Klimaatprojecten kosten miljoenen zonder meetbare resultaten, en de rekening komt bij burgers terecht.
Zo bleek in Amsterdam dat het Klimaatfonds van wethouder Marieke van Doorninck miljoenen euro’s investeerde in inefficiënte projecten, zonder zichtbare reductie van CO₂-uitstoot (Amsterdam Klimaatfonds onder vuur, NRC). In Utrecht leidde het autoluwe beleid tot meer files en vervuiling aan de stadsranden (Autoluw beleid werkt averechts, De Volkskrant). In Nijmegen mislukte een groot fietsproject, waarbij investeringen in infrastructuur nauwelijks effect hadden op het verkeer (Nijmegen fietsfiasco, De Gelderlander).
Deze voorbeelden illustreren wat The green energy delusion (Vaclav Smil) omschrijft als “technocratisch idealisme”: beleid gebaseerd op modellen en overtuigingen, niet op resultaten. De wens om het klimaat te redden verdringt elk gevoel voor efficiëntie of haalbaarheid. Tegelijkertijd worden burgers geconfronteerd met stijgende energieprijzen, hogere belastingen en afnemende mobiliteit.
Ook op migratiegebied blijkt GroenLinks’ wereldbeeld losgezongen van de werkelijkheid. De partij blijft vasthouden aan open grenzen en ruimhartige opvang, ondanks structurele tekorten op de woningmarkt, druk op zorginstellingen en spanningen in buurten. Deze ontkenning van sociale grenzen heeft geleid tot groeiende onvrede onder gewone burgers, die door GroenLinks wordt weggezet als “xenofoob” of “populistisch”. Het is precies de culturele neerbuigendheid die Europe’s immigration dilemma (Douglas Murray) beschrijft.
De hypocrisie van morele politiek
Wat GroenLinks onderscheidt, is niet haar idealisme, maar haar hypocrisie. De partij spreekt schande van “graaicultuur” en “kapitalistische uitbuiting”, maar participeert zelf gretig in het systeem dat ze verwerpt. GroenLinks-politici bekleden bestuursfuncties bij gesubsidieerde instellingen met hoge salarissen en spreken tegelijk over de noodzaak van soberheid.
Samenwerkingen met multinationals zoals Shell en Unilever via groene subsidies tonen hoe flexibel hun moraal kan zijn. Terwijl gewone burgers hogere energieprijzen betalen, profiteren deze bedrijven van miljarden aan “duurzaamheidssteun”. Zoals Net Zero: How We Stop Causing Climate Change (Dieter Helm) opmerkt, is dit de ironie van het klimaatbeleid: de kosten worden sociaal verdeeld, de winst economisch geconcentreerd.
De partij claimt te strijden tegen ongelijkheid, maar creëert zelf een nieuwe kloof tussen zij die kunnen profiteren van het groene systeem en zij die de lasten dragen. Zonnepanelen, elektrische auto’s en subsidies zijn voor wie kapitaal heeft, niet voor wie moeite heeft de energierekening te betalen. Volgens het Centraal Planbureau (Klimaatbeleid treft vooral lage inkomens, CPB) raakt klimaatbeleid juist de lagere inkomens onevenredig hard.
De technocratische verleiding
GroenLinks vertrouwt op planmatigheid en modellen. Ze gelooft dat de samenleving bestuurbaar is als een laboratorium, dat met genoeg regels, verboden en subsidies elk probleem kan worden opgelost. Maar zoals Black Mass: Apocalyptic Religion and the Death of Utopia (John Gray) stelt, is dat de essentie van utopisch denken: het negeert de menselijke onvoorspelbaarheid en creëert autoritaire systemen in naam van verlossing.
Het vertrouwen in modelpolitiek leidt tot overregulering en bureaucratie. Burgers worden afhankelijk gemaakt van subsidies, terwijl zelfstandigheid en vrijheid verdwijnen. Lokale ondernemers die niet binnen de “groene criteria” vallen, krijgen te maken met onmogelijke voorwaarden. Boeren, bouwers en transportbedrijven zijn de moderne zondebokken van een ideologisch systeem dat economische realiteit veracht.
De realiteit van het groene dogma
Economisch gezien is GroenLinks’ beleid rampzalig voor het midden- en lage segment. Hogere accijnzen, stijgende energiebelastingen en dure groene investeringen raken juist de groepen die men zegt te willen helpen. Terwijl de partij pleit voor solidariteit, ondermijnt ze de koopkracht en bestaanszekerheid van miljoenen Nederlanders.
In The green energy delusion (Vaclav Smil) wordt aangetoond dat overhaaste energietransities in rijke landen vooral symbolisch zijn: de mondiale impact is verwaarloosbaar, terwijl de binnenlandse schade groot is. Nederland illustreert dit perfect: terwijl windmolens draaien op subsidie en zonneparken landbouwgrond opslokken, blijft de CO₂-uitstoot vrijwel gelijk, en stijgen de woonlasten.
Het gevolg is sociale vervreemding. Burgers voelen zich niet meer vertegenwoordigd door een elite die hen onderwijst over duurzaamheid, terwijl zij zelf nauwelijks rondkomen. Jongeren zien hun toekomst vernauwen tot een smal pad van ideologisch goedgekeurde keuzes.
De macht van media en universiteiten
De invloed van GroenLinks strekt verder dan de politiek. In universiteiten, cultuursector en publieke omroep is de ideologie diep verankerd. De NOS en NPO gebruiken voortdurend dezelfde retoriek over klimaat, migratie en diversiteit. Kritiek daarop wordt gemarginaliseerd of geridiculiseerd, precies zoals Manufacturing Consent (Noam Chomsky) beschrijft: een subtiel mechanisme van culturele filtering.
Aan universiteiten wordt activisme vaak beloond en kritisch denken ontmoedigd. Volgens The Coddling of the American Mind (Jonathan Haidt) leidt dit tot intellectuele verarming: studenten leren niet meer denken, maar geloven. Onderzoeksagenda’s richten zich op thema’s die politiek wenselijk zijn, en afwijkende perspectieven worden als “problematisch” bestempeld.
Zo ontstaat een zelfversterkend systeem waarin politiek, media en onderwijs elkaar voeden. Het resultaat is een samenleving waarin het denken zelf steeds nauwer wordt afgebakend door morele grenzen.
Een gevaar voor redelijkheid en democratie
GroenLinks belichaamt een nieuw soort dogmatisme dat doet denken aan de communistische wortels waarvan de partij zegt afscheid te hebben genomen. Waar de CPN vroeger sprak over de dictatuur van het proletariaat, spreekt GroenLinks nu over de dictatuur van de deugd. De taal is veranderd, de mentaliteit niet.
Volgens Black Mass: Apocalyptic Religion and the Death of Utopia (John Gray) is dit het lot van elke utopische beweging: de overtuiging van morele onfeilbaarheid maakt haar blind voor eigen destructie. GroenLinks gelooft dat het moreel gelijk heeft, en dat volstaat. Maar politiek is geen geloof, het is bestuur, en bestuur vereist realisme, niet verlossing.
De fusie met de PvdA heeft deze tendens versterkt. Wat ooit twee partijen waren met verschillende achterbannen en idealen, is nu één ideologisch blok dat zich beroept op morele zuiverheid. Daarmee is Nederland een stap dichter gekomen bij wat John Gray omschrijft als “het utopisch totalitarisme van de moderne tijd”.
De partij die zichzelf ziet als redder van de wereld, blijkt in de praktijk haar grootste bedreiging. In plaats van verbinding zaait zij morele verdeeldheid; in plaats van realisme predikt zij ideologie; en in plaats van vrijheid creëert zij afhankelijkheid.
GroenLinks is daarmee niet slechts een politieke partij, maar een beweging die de rede onderwerpt aan moraal, en dat maakt haar gevaarlijker dan ooit.